Weinig mogelijkheden voor compensatiefonds glastuinbouw

College Westland

Westland 24.09.2015 - De fractie CDA Westland heeft collegevragen gesteld over het inrichten en opzetten van een compensatiefonds. Agro-gerelateerde bedrijven

die gevestigd zijn in het glastuinbouwgebied en meerwaarde hebben voor de Glastuinbouwsector zouden dan kunnen uitbreiden. Voorwaarde zou dan zijn dat het verschil in grondprijs in vergelijking met de prijs op een bedrijventerrein gestort wordt in het compensatiefonds. Deze gelden kunnen dan weer benut worden om elders te investeren in de modernisering, herstructurering en schaalvergroting van het glastuinbouwgebied.

Ingevolge het bepaalde in artikel 26 van uw "Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de Raad van de gemeente Westland 2013", beantwoorden zij deze vragen als volgt:

Vraag 1

Het lijkt er op dat in de Duin- en Bollenstreek wel een vergelijkbaar fonds is opgericht. Er worden hier wel andere functies beoogd dan CDA Westland voor Westland voor ogen heeft, maar de systematiek en opzet van het fonds is vergelijkbaar. Is het mogelijk om de opzet en regeling voor het fonds in de Duin- en Bollenstreek in de gemeente Westland toe te passen?

Antwoord 1

In de Duin- en Bollenstreek is er sprake van twee typen glastuinbouwgebieden, namelijk ‘concentratiegebieden’ en ‘saneringsgebieden’ (zie “Intergemeentelijke Structuurvisie Duin- en Bollenstreek”). Het beleid in dit gebied is er op gericht om in de saneringsgebieden de bestaande glastuinbouwbedrijven te slopen ten behoeve van het versterken van de concentratiegebieden, het verminderen van verrommeling in het buitengebied en het versterken van het open landschap ter plaatse.

 

Het slopen van de glastuinbouwbedrijven in het saneringsgebied is een kostenpost. Om de kosten te compenseren is er een ruimte-voor-ruimte regeling opgesteld door de Provincie. Deze regeling komt er kortweg op neer dat een woning mag worden gebouwd ter (financiële) compensatie van de sloop van het glastuinbouwbedrijf (per 5.000 m2 kas of 1.000 m2 bedrijfsgebouw). Omdat in de praktijk er sprake is van bedrijven met minder dan 5.000 m2 kas en/of 1.000 m2 bedrijfsgebouw kon er in het verleden geen gebruik worden gemaakt van de ruimte-voor-ruimte regeling, waardoor deze opstallen niet werden gesloopt en verrommeling in het landschap bleef.

Het in de Duin- en Bollenstreek ingestelde compensatiefonds maakt het mogelijk dat dergelijke opstallen toch gesloopt worden door het afkopen van het tekort aan te slopen m2 kas of bedrijfsruimte. Het gegenereerde geld wordt daarbij weer geïnvesteerd in tegemoetkoming in sloopkosten elders. Kortom, de volledige geldstroom staat ten dienste van de gewenste ontwikkelingen in het gebied.

In Westlands is er geen sprake van ‘saneringsgebieden’, maar zijn gronden in de glastuinbouwgebieden primair bestemd voor glastuinbouwbedrijven. Dit is zowel beleid van de gemeente als van de provincie Zuid-Holland, zoals verwoord en verbeeld in respectievelijk de Structuurvisie Westland 2025; perspectief 2040 als de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). Het oprichten van een compensatiefonds voor niet-glastuinbouwbedrijven, doch bedrijven met een toegevoegde waarde voor het glastuinbouwcluster, is in beginsel in strijd met het beleid. Immers, het uitgangspunt is dat dergelijke bedrijven gevestigd dienen te zijn op bedrijventerreinen. Het oprichten van een dergelijk compensatiefonds zou zodoende, in de voorgestelde vorm, neerkomen op ‘het kopen van planologische mogelijkheden’, waarbij niet het uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening van toepassing is. Dit staat de Wet ruimtelijke ordening niet toe.

Ingeval een uitbreiding van een dergelijk niet-glastuinbouwbedrijf gewenst zou zijn en in de beoogde uitvoering bijdraagt aan ‘een goede ruimtelijke ordening’, kan compensatie in geld niet worden afgedwongen. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van eerder ingediende motie.

Het is wel mogelijk om te compenseren in ruimte, door het compenseren van gronden, waardoor het areaal absoluut, of in sommige gevallen (door aanzienlijke structuurverbetering) relatief, niet afneemt. In dat licht zou hoogstens een compensatiefonds dat, met gegenereerde gelden, andere bedrijven uitkoopt en de gronden teruggeeft aan de agrarische bestemming houdbaar zijn in relatie tot de Wet ruimtelijke ordening.

Vraag 2

Is het risico dat de betaler later een vordering instelt op grond van onverschuldigde betaling (en andere juridische risico's) niet contractueel uit te sluiten doordat de betaler bijvoorbeeld contractueel afstand doet van een eventuele vordering gebaseerd op onverschuldigde betaling?

Antwoord 2

Gelet op de jurisprudentie omtrent dergelijke privaatrechtelijke afspraken is er een hoge kans op nietigverklaring van een dergelijk contract bij de rechter, waarbij onder andere misbruik van de machtpositie van de overheid een rol speelt/kan spelen (het verbod van détournement de pouvoir: zie uitspraak Hoge Raad 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AN5655).

Vraag 3

Is het College het met ons eens dat de mogelijkheden hiervoor verder onderzocht dienen te worden, waardoor de ontwikkelingen in het glastuinbouwcluster gestimuleerd kunnen worden?

Antwoord 3

In de commissies Ruimte en EFO hebben wij aangegeven een raadsinformatieavond (RIA) te organiseren vóór eind 2015 waar enkele aspecten ten aanzien van het beleid in het duurzaam glastuinbouwgebied aan de orde komen. Het college is bereid het onderwerp ‘compensatiefonds’ in brede zin, om verschillende opties open te houden, op te nemen als agendapunt in deze RIA.

Wij gaan er vanuit uw vragen met deze brief te hebben beantwoord.

Burgemeester en wethouders van Westland,

de secretaris,                       de burgemeester,

M. van Beek

J. van der Tak

Ambtelijke inzet

Naar aanleiding van de raadsmotie d.d. 18 maart 2015 wordt aangegeven hoeveel inzet is gepleegd om deze vragen te beantwoorden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vaste en variabele inzet. Onder de vaste inzet wordt verstaan het (besluitvormings)proces dat altijd nodig is om de beantwoording te verzorgen. Dit betreft circa 2 uur, wat resulteert in vaste loonkosten van circa € 176,00. Daarnaast is circa 4 uur ambtelijke inzet gepleegd voor de inhoudelijke beantwoording, wat resulteert in € 352,00 (aantal uren x € 88,00). In totaal betreft het dus

 

€ 528,00 aan loonkosten. Voor de beantwoording zijn geen kosten gemaakt voor externe advisering.