Bevoegdheid van politie in het wegverkeer

Edwin Bosch, Westlanders.nu

Westlanden 11.12.2014 - Naar aanleiding van het ongeluk woensdagochtend aan de Nieuweweg in Poeldijk, waarbij een 'stille' politieauto met hoge snelheid...

in botsing kwam met een bedrijfswagen, is een levendige discussie ontstaan over de bevoegdheid van de politie in het wegverkeer.

Hulpdiensten mogen nu eenmaal met hoge(re) snelheden (onder bepaalde voorwaarden) zich over de wegen verplaatsen. Anderzijds is het wel erg sneu als hierdoor ongelukken ontstaan met materiele schade en de veiligheid van medeweggebruikers in het geding komt.

Vooropgesteld dat niemand een ongeluk zoals woensdagochtend wenst, is het in het belang van iedereen een duidelijk beeld te hebben hoe het bij wet geregeld is.

De redactie heeft mr. Edwin Bosch van Vogelaar Bosch Spijer advocaten in Honselersdijk (o.a. gespecialiseerd in het bijstaan van letselschadeslachtoffers) enige vragen gesteld hierover.

Hij laat in een antwoord het volgende weten; 'Al met al is een complexe materie, met in elkaar grijpende regelingen. In de kern komt het hierop neer.

Op grond van art. 147 Wegenverkeerswet 1994 is de Minister bevoegd om vrijstelling te verlenen van deze wet ten behoeve van de openbare dienst. Van deze mogelijkheid heeft de Minister gebruik gemaakt bij besluit van 20 mei 2010. Deze regeling bepaalt echter dat bij gebruik van aan deze vrijstelling ontleende bevoegdheden de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd en dat daarbij de in de 'brancherichtlijn verkeer politie' opgenomen voorschriften in acht moeten worden genomen.

Indien en voor zover de richtlijn wordt gevolgd, mag de politie aldus afwijken van de bepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 of het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. In deze richtlijn staat onder meer opgenomen dat de rijbaan bereden mag worden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid, maar dat bij het naderen en oversteken van kruispunten een aangepaste snelheid moet worden aangehouden. Deze richtlijn is aldus de richtlijn zelf ook van toepassing op onopvallende politieauto's.

Uit hoofde van deze vrijstelling mag de politie aldus afwijken van de bepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 of het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens. Aan hen behoeft echter eerst voorrang verleend te worden indien het politievoertuig kenbaar is als een voorrangsvoertuig. Dit volgt uit art. 50 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Een politieauto is pas een voorrangsvoertuig wanneer hij optische en geluidsignalen voert (art. 1 sub an jo. art. 29 RVV ).

Ondanks voorgaande bevoegdheden moet de politie behoedzaam omgaan met de aan hen verleende vrijstelling. Dit blijkt niet alleen uit de vrijstellingsregeling, maar ook uit de brancherichtlijn. Daarnaast heeft de Hoge Raad, onze hoogste rechter, in 1985 al geoordeeld dat wanneer - in dat geval een ambulance met zwaailicht en sirene - door rood rijdt, het feit dat het een voorrangsvoertuig betreft niet uitsluit dat de bestuurder van de ambulance toch aansprakelijk is.

 

In de lagere rechtspraak zijn dan ook een aantal zaken te vinden waarbij de politie, ondanks dat er zwaailicht en sirene werd gevoerd, geheel of voor een groot deel aansprakelijk werd gehouden. Zo oordeelde het Haagse Gerechtshof in 1985 dat een politieauto die met zwaailicht en sirene door rood reed en in botsing kwam met een andere auto 75% schuld. Het Gerechtshof Arnhemoordeelde in 1988 in een vergelijkbare situatie dat de voornaamste schuld bij de politie lag.

Waar het met name op aankomt is: - de vraag of het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was om af te wijken van de 'normale' verkeersregels; - hoe prudent vervolgens van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt (waarbij met name naar de brancherichtlijn wordt gekeken); en - hoe kenbaar de politieauto was voor het overige verkeer. Voerde de politieauto zwaailicht en sirene dan zal, ook als de politie aansprakelijk is, er al snel eigen schuld van de andere partij worden aangenomen. Daarvoor is minder snel aanleiding wanneer het om een onopvallende politieauto gaat.

Concreet ten aanzien van de situatie op de Nieuweweg geldt dat de politieauto voorrang had. Wanneer de politieauto echter harder reed dan ter plaatse was toegestaan, terwijl dit voor de wederpartij niet kenbaar was, dan komt het aan op de vraag wat er gebeurd zou zijn indien de politieauto zich wel aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden. Zou er dan ook een ongeval hebben plaatsgevonden?

Dan is er weinig aanleiding om aan te nemen dat de bestuurder van de politieauto aansprakelijk is. Zou dan echter geen ongeval hebben plaatsgevonden, dan is de bestuurder van de politieauto wel in meer of mindere mate aansprakelijk voor het ontstaan van de aanrijding.'