Hou me vast en ik blijft leven!

Ronald de Jong

Westlanden 23.01.2016 - We hebben mazzel dat we met twee auto’s op de post zijn en gelijk samen op pad kunnen.

Het is een paar minuten rijden van de post en we komen tegelijkertijd aan bij het huisadres. De andere verpleegkundige is een oude rot in het vak die er de nodige jaren op heeft zitten en ook het een en ander gewend is met betrekking tot onverwachte gebeurtenissen.

De patiënt op de huiskamervloer ligt met open ogen naar boven te staren. De borst gaat op en neer wat duidt op een ademhaling. Als ik hem zo zie liggen schiet me een opmerking te binnen; “Er brandt licht maar er is niemand thuis.” Treffender kan het niet uitgedrukt worden denk ik. Primair gaat het om een reanimatie. Alleen lijkt de situatie iets vreemder, want normaal zijn deze patiënten mimiekloos en dat is bij deze patiënt zeker niet het geval. Aansluiten aan de monitor, het scherm licht op en we zien een chaotische hartactiviteit.

Vreemd, ik verwacht een normaal ritme in plaats van een fibrillatie. De patiënt ademt en kijkt gefixeerd naar het plafond. Niet het prototype van een normale reanimatiepatiënt. We laden de hartmonitor op en geven de eerste stroomstoot. Met deze stroomstoot wordt de chaotische hartactiviteit stilgelegd en een tweede blik op het monitorscherm geeft nu een acceptabel en normaal hartritme te zien. De ademhaling is niet adequaat en we besluiten om over te gaan tot intubatie. Ik manoeuvreer de lepel voor de beademingsbuis in de mond. De patiënt begint te bijten op het ijzer en krijgt een epileptisch insult.

De beademingsbuis moet wachten: eerst moeten we het insult de kop in drukken. Het insult kunnen we met valium beëindigen en de patiënt wordt beademd met de beademingsballon. Nieuwe ronde nieuwe kansen. De lepel gaat voorbij de lippen en nee hè, opnieuw zet hij zijn tanden in het ijzer. Wat is hier loos? Hij is overduidelijk reanimatie behoeftig, heeft een stroomstoot gehad, laat zich niet intuberen maar wel beademen. (Foto archief)

Hoe onwel kan je zijn?

Zijn echtgenote komt dichterbij staan en zegt: “Zolang ik in de buurt ben blijft hij leven.” Prima, wie zijn wij om haar tegen te spreken. Zolang ze niet op mijn handen gaat staan en me niet voor de voeten loopt ben ik snel tevreden. De patiënt krijgt weer spontaan een chaotisch hartritme en voordat we goed en wel de monitor kunnen gaan opladen bemoeit zijn vrouw zich ermee met de mededeling: “Als ik hem vast houd komt het goed met hem. Hij heeft mijn energie nodig om vol te houden.” Terwijl ik haar hoor argumenteren druk ik nogmaals op de laadknop van de monitor en wacht op de indringende toon die me laat weten dat het apparaat klaar is voor de volgende elektrische ontlading.

Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe de echtgenote de patiënt bij de voeten pakt en voordat ik het commando `alles los` kan geven zie ik het ritme zonder mijn ingrijpen terug keren naar een normaal hartritme. Ik sta met mijn bek vol tanden en kan niet bevatten wat hier gebeurt laat staan dat ik het kan beredeneren. Ik hou het er maar op dat het spontaan gebeurt en dat het niks te maken heeft met de magische handoplegging van mevrouw. Ook mijn collega begrijpt niet wat er allemaal plaatsvindt en ik zie hem twijfelen aan zijn eigen observaties. Ik trek mijn schouders op en zeg: “We gaan gewoon verder in het protocol, ik weet geen andere oplossing.”

We mogen niet klagen, er is output en de ademhalingsfrequentie blijft laag, maar acceptabel. Hij laat zich niet intuberen en het lijkt wel of hij bewust aan het tegenwerken is, maar dat is geen logische verklaring. We besluiten om de situatie niet verder te vertragen en te gaan rijden met de patiënt. Met zuurstof en de beademingsballon kunnen we de tien minuten naar het ziekenhuis makkelijk overbruggen. De echtgenote zegt dat ze pal achter ons aan zal rijden en zo haar energiebanen tijdens de rit richting patiënt kan sturen. Ja, waarom niet?

Wat een flauwekul denk ik, schiet nou maar op en stap in, dan zien we tijdens de rit wel verder. Ik moet bekennen dat de rit wonderbaarlijk rustig verloopt, de patiënt blijft een regelmatig hartritme houden. Bij het ziekenhuis rijden we de ambulancesluis in. De echtgenote moet haar auto buiten ons gezichtsveld parkeren en prompt krijgt de patiënt weer de hartritmestoornissen die we eerder gezien hebben. Voordat we kunnen defibrilleren komt de echtgenote de ambulancesluis inlopen en abrupt stopt de chaotische hartactiviteit en keert het normale hartritme weer terug.

Onbegrijpelijk en onverklaarbaar. Ik begin te twijfelen en vraag me in gedachten af of die energiebanen echt bestaan. Tijdens de overdracht op de hartbewaking vindt de verandering opnieuw plaats. Zolang de partner in de buurt blijft gaat het goed, maar zodra de afstand tussen haar en haar man teveel wordt, gaat het binnen enkele tellen mis. Als ik het ongelofelijke verhaal aan het personeel van de hartbewakingsafdeling vertel lijkt het of er een gestoorde de overdracht doet. Zo ervaar ik dat zelf tenminste. Ik hoor mezelf, geflankeerd door mijn collega, het verhaal vertellen en voel dat ze me niet serieus nemen. Ze kijken of ze het in Keulen horen donderen. Begrijpelijk, want ik zou zo’n verhaal ook met een korrel zout nemen. Ik ben blij dat de verpleger van de andere auto naast me staat en het verhaal kan bevestigen evenals de twee chauffeurs die instemmend staan te knikken.

Ben ik tenminste niet de enige zot die het verhaal vertelt en vier zotten op een rij die hetzelfde verklaren, moet toch duidelijk maken dat er meer is dan wij met ons verstand kunnen bevatten. De echtgenote blijft in het ziekenhuis en na een week wordt de patiënt ontslagen zonder restverschijnselen en zonder een concreet gestelde diagnose. Men heeft geen enkel idee wat er aan de hand geweest is. Natuurlijk hebben we ons afgevraagd of we dingen over het hoofd gezien hebben of dat we de situatie verkeerd hebben ingeschat.

Ik ben in al die jaren een grote diversiteit aan aandoeningen tegengekomen. Patiënten kunnen ziektebeelden al dan niet professioneel naspelen of simuleren maar ik ben nooit een patiënt tegengekomen die een hartstilstand met bijbehorende symptomen naspeelt. De uitdraai van de hartmonitor ligt voor ons en de cardiologen kunnen niet ontkennen dat het een hartstilstand is geweest die met een elektroshock terug gebracht is naar een normaal hartritme. Er zijn simulanten die zich zelfs laten intuberen, maar die zich in hun roep om aandacht vrijwillig laten elektrocuteren, is voor mij onvoorstelbaar. 

Mijn collega oppert om de casus in het team bespreekbaar te maken, maar ik kan me daar niet in vinden. Ondanks het feit dat we geen grip hebben op de, laten we zeggen, bovennatuurlijke situatie en de onverklaarbare feiten waar zelfs specialisten geen raad mee weten, heb ik niet het gevoel, dat wij iets wijzer zullen worden. Qua casuïstiek voegt het niets toe aan hetgeen we al weten. Soms moet je bepaalde zaken laten rusten, niet overal zijn antwoorden voor en je maakt het voor jezelf alleen maar moeilijker als je dingen wilt begrijpen die niet te begrijpen zijn.

Meer lezen? 

http://www.boekenbestellen.nl/boek/maar-ik-heb-helemaal-geen-centjes-voor-de-begrafenis/9789081840002

Ronald de Jong