Uitleg college over invoering reclamebelasting in Westland

College Westland

Naaldwijk 11.07.2019 - Op 27 juni heeft het college een verzoek om inlichtingen ontvangen van de fractie GBW over opvraag nadere informatie uitgangspunten en gevolgen reclamebelasting.

Ingevolge artikel 43 van het Reglement van Orde informeren zij u als volgt. 

Verzoek 1

Wilt uw college van B&W ons enig inzicht geven in de uitgangspunten en parameters die aan de eerste ramingen van de opbrengst reclamebelasting ten grondslag liggen. Welke organisaties worden aangeslagen? Waarvoor worden zij aangeslagen? Voor welke 'eenheden'? Wat is de 'eenheidsprijs'?

Antwoord 1

Het college is van mening dat reclamebelasting voor sportverenigingen niet is gewenst. Dat is ook nooit het uitgangspunt geweest. De uitgangspunten zijn dat de kleine ondernemer en sportverenigingen worden ontzien. Hier gelden de destijds door de raad geformuleerde randvoorwaarden: 

- kleine ondernemers mogen niet te zwaar belast worden; 

- een vrijstelling voor sportorganisaties en charitatieve instellingen; 

- een jaarlijkse opbrengst vanaf 2008 van tenminste € 900.000.

Nadat de raad fiat heeft gegeven voor de invoering van reclamebelasting bij de meerjarenbegroting 2021-2024,wordt de verdere uitwerking, invulling en besluitvorming van de reclamebelasting aan uw raad voorgelegd bij het raadsvoorstel tot vaststelling van de verordening reclamebelasting. 

De reclamebelasting is geregeld in artikel 227 van de Gemeentewet. Ter zake van aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan een reclamebelasting worden geheven. In tegenstelling tot de naamgeving van de belasting beperkt het belastbare feit van deze belasting zich niet tot reclame-uitingen. Voor terrassen kan niet worden geheven. Maar wel voor alle openbare aankondigingen, reclame-uitingen, zoals bordjes die verwijzen naar een apotheek of huisarts, verkoopborden van makelaars, sandwichborden, bepaalde muurschilderingen die verwijzen naar een bedrijf, afbeeldingen die een associatie hebben tot een product of bedrijf, (bedrijfs)namen, abri’s etc., etc., die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. 

Ook reclameborden bij sportvelden die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn, vallen dus zonder het regime van de reclamebelasting. Het college wenst hiervoor – conform de eerde genoemde uitgangspunten en randvoorwaarden - een vrijstelling op te nemen. 

In 2005 is ten behoeve van de toen nog waarschijnlijke invoering van reclamebelasting een scan uitgevoerd door een externe opdrachtnemer. Daaruit bleek dat een maximale bruto opbrengst van € 1,2 miljoen gehaald zou moeten kunnen worden. Bij deze prognoses is uitgegaan van een landelijk gemiddeld tarief in 2005 van € 20,- per m². 

Er werden voorstellen gedaan voor een progressieve tariefstelling vanaf 0,5 m² aan reclame-uitingen, en om te werken met tarieven per grootteklasse (tariefklassen) in plaats van een tarief voor elke m². Het aantal vierkante meter reclame in de gemeente Westland zou volgens deze inventarisatie rond de 63.500 m² liggen. Op basis hiervan werd een netto opbrengst (minus de perceptiekosten) van € 750.000 verwacht.

Verzoek 2

Wilt uw college van B&W vóór de bespreking van de Voorjaarsnota in commissie en raad de financiële gevolgen voor de 30% OZB verhoging en de gevolgen van het invoeren van reclamebelasting voor de eigenaren van de sportaccommodaties in Westland in beeld brengen?

Antwoord 2

Het uitgangspunt is dat sportaccommodaties worden vrijgesteld van de reclamebelasting.

In het onderstaande overzicht zijn de financiële gevolgen van de stijging van de OZB voor niet-woningen met 30% voor enkele sportverenigingen inzichtelijk gemaakt. Omdat de inventarisatie van de reclamebelasting dateert uit 2005 en hierover geen verdere details beschikbaar zijn, is het op dit moment niet mogelijk een overzicht te genereren van de gevolgen van de reclamebelasting voor sportaccommodaties. 

Overzicht financiële gevolgen