Politieverhalen: Toeval bestaat niet

Politiebericht

Nederland 23.04.2020 - Het is 2018 en ik heb late dienst. Via de portofoon hoor ik dat collega’s worden opgeroepen om naar een parkje te gaan

waar een vrouw op het punt staat om zelfmoord te plegen. Ik bied aan om met ze mee te gaan.

Als we het bij park komen zien we haar meteen staan. Het is nog een meisje. We parkeren de politieauto, geven door aan het bureau dat we het meisje hebben aangetroffen en stappen uit. We proberen met haar in gesprek te komen.

Dit gaat nog niet zo gemakkelijk. Ze is enorm van streek. Uiteindelijk besluiten we om haar vast te pakken en haar, ook voor haar eigen veiligheid, de boeien om te doen. We willen haar laten onderzoeken door een GGD-arts en daarvoor moet ze met ons mee naar het arrestantencomplex. Ze is nog steeds erg emotioneel, maar het lukt ons uiteindelijk om haar, relatief rustig, onze auto in te krijgen.

Wanneer ik naast haar op de achterbank ga zitten, krijg ik medelijden. Het meisje ziet er ondanks haar knappe uiterlijk doodongelukkig uit en doordat ze gehuild heeft plakken haar haren op haar gezicht. Ik probeer het meisje gerust te stellen en zeg: “Wat naar allemaal, zoveel verdriet. Vind je het goed dat ik je haar even uit je gezicht haal? Dat is misschien wat prettiger.” Het meisje kijkt me met haar betraande ogen aan en geeft een knikje. Ik zeg: “Zo dat is beter. Maar nou weet ik eigenlijk nog steeds niet hoe je heet”. Het meisje zegt haar naam en zodra ik die hoor gaat er een belletje rinkelen. Ik ‘ken’ dit meisje, ondanks dat ik haar nog nooit heb gezien. Ik heb haar bijzondere naam vroeger thuis geregeld gehoord in de verhalen van mijn vader. Om het zeker te weten, vraag ik haar of ze op school X heeft gezeten. Ze knikt bevestigend en omdat er nu geen twijfel meer mogelijk is zeg ik: “Weet je wie mijn vader was? Dat was meester Jan.” Mijn vader was haar mentor. Helaas is hij een aantal maanden geleden aan melanoomkanker overleden.

Het meisje kijkt mij vol ongeloof aan en we moeten allebei een beetje wennen aan dit bijzondere toeval. “Echt waar?” hoor ik haar zeggen. Ik zie dat ze weer begint te huilen. “Hij was de enige met wie ik altijd kon praten en hij begreep mij altijd zo goed. Ik had hem zo graag nog een keer willen zien en met hem willen praten.” Ik zeg haar dat ik dit heel goed begrijp. Mijn vader was een fantastische man waar je inderdaad heel goede gesprekken mee kon voeren. Vroeger toen wij klein waren mochten we geregeld met hem mee naar zijn klas en de kinderen waren dan altijd erg jaloers op ons omdat zij allemaal zo’n fan van hem waren. “Weet je waarom ik jouw naam onthouden heb?” vraag ik haar. “Omdat hij bij ons thuis altijd vol bewondering over jou sprak. Hij was erg trots op je omdat jij, ondanks alle tegenslagen in je leven, toch wat van je leven maakte en het allemaal zo goed deed. Ik denk dat het hem veel verdriet zou doen als hij nu naar je zou kijken en zou zien dat het niet goed met je gaat.”

Ik zie dat mijn woorden binnenkomen bij haar. Het meisje wordt rustiger en stelt allerlei vragen over mijn vader en over zijn ziekte. Via de binnenspiegel wissel ik een betekenisvolle blik met mijn collega. Ook hij beseft hoe enorm bizar deze samenloop van omstandigheden is. Ik leg haar uit dat we ons zorgen om haar maken en graag willen dat er een dokter naar haar kijkt. Ze stemt toe.

Wanneer we bij het arrestantencomplex zijn zeg ik tegen mijn collega dat ik even bij haar ga zitten totdat de arts er is. Ik laat de deur aan een kant open en ga naast haar zitten. We kletsen een beetje en het meisje is duidelijk al een stuk beter op haar gemak. Ze vertelt me dingen over haar jeugd en we praten natuurlijk veel over mijn vader. Voor mij ook bijzonder om verhalen over hem te horen die ik nog nooit eerder heb gehoord. Ik merk dat het me op momenten echt raakt en dat ik er bijna emotioneel van word. Ik herken mijn vader en zijn manier van doen zo in haar verhalen. “Hij zou toch ook voor het eerst opa worden?’ vraagt ze op een gegeven moment. Ja, dat was inderdaad zo. Alleen heeft hij dat helaas niet meer mogen meemaken. Ik laat haar foto’s zien van een stralend kereltje van een paar maanden oud. Net zo vrolijk en opgewekt als zijn opa concluderen we samen.

Kort daarop komt de arts. Ondanks dat ik het niet vaak doe geef ik haar een briefje met mijn telefoonnummer en zeg haar dat ze me altijd mag bellen.

Wanneer ik na de dienst terug naar huis rijd merk ik dat de melding meer met me gedaan heeft dan dat ik dacht. Ineens mis ik mijn vader nog meer dan daarvoor. Als ik thuis ben kijk ik naar zijn foto op het dressoir. Wat zou hij trots geweest zijn… En wat was ik trots op hem!

Zie je het leven niet meer zitten? Of maak je je zorgen over een ander? Bel 0900-0113 of chat via www.113.nl

Reageren
Wilt u op dit politieverhaal reageren? Vul het reactieformulier hier in. Uw reactie gaat naar de auteur, die eventueel contact met u opneemt.